Lezing

Het creatieve proces is een geleidelijk proces. Een proces om ingegraven gevoelens, emoties, verlangens op te graven. Het proces van tekenen lijkt dan ook op archeologie. Ik sla paaltjes in de grond en verbind die paaltjes met een plastic lint. Binnen het kader van het lint is het speelveld waarin gegraven kan worden gemarkeerd. Dat is mijn werkterrein, mijn environment. Daar binnenin heb ik niets te wensen. Wel een hoop te doen. Voordat er iets opgegraven wordt zijn er vele, vele tekeningen door mijn vingers gegaan. Ik merk het niet, maar er gebeurt ook nog iets anders. Dat wat er zich afspeelt gaat bijna ongemerkt. Het ongemerkte wordt wel aangevoeld maar heeft geen woorden. Het voelt als magie. Het magische zegt dat ik werk aan iets anders dan wat tekenen heet. Het gaat niet om de afbeelding, het plaatje, of over mooi of lelijk en wat anderen ervan zullen vinden. Maar tegenstrijdig genoeg heb ik het plaatje de afbeelding en de tekeningen wel nodig. Wat mijn arbeid ontvouwt is dat ik voorwaarden creëer om te kunnen tekenen. Ik teken om te kunnen zien. Barnett Newman van de Who’s afraid of Red, Yellow and Blue [1966] heeft bij de Noord West Amerikaanse Kwakiuti indianen onderzocht hoe dat zit om in je zelf te geraken. Hij ging eerst te rade bij Emanuel Kant en onderzocht het sublieme. De kwaliteit van het vormloze. Een soort tweede naïviteit een geloof zonder een god, om de waardigheid van de kunst authentiek te kunnen beleven. Newman herkende de kracht van het niet denken bij de indianen. Door te dansen rond de totem en door dat te herhalen en te herhalen ritualiseerde de Kwakiuti’s hun wil. Ze brachten een offer doormiddel van dansen om dichter bij hun goden, het sublieme te komen. Ik doe niet anders. Door te tekenen en te tekenen herhaal ik mijn handelingen, mijn dans rondom de totem, waarvan ik niet weet wie ik daarmee dien. Mijn proces lijkt op die van de Kwakiuti’s uit het Noord Westen van de Verenigde Staten. Het krassen werkt als een dans en is tekenen en krassen samen een handeling om los te komen en een middel om niet te hoeven denken. Maar het vele werk dient ook nog iets anders. Soms denk ik dat ik door mijn gegraaf en gedans ook nog op zoek ben naar het vergetene zoals de filosoof Adorno zegt. Als ik aan het zoeken en aan het graven ben heb ik mijn eigen veldje met lint er om heen tot mijn beschikking. Binnen de psychologische beperking van deze omheining creëer ik mijn ruimte, mijn plek, mijn plaats van handeling. Ik kijk. Ik ga te biecht bij mijn handen en luister. Dat is mijn dialoog. Een tekening die te vroeg van de boom gevallen is gooi ik weg. Het kan vriezen het kan dooien. Tekening op tekening, schep voor schep, mislukking na mislukking bekijk en vervang ik en ga onvermoeibaar verder. Waar ik op zoek naar ben wordt geritualiseerd door het werken met mijn handen. Handelingen die, zo lijkt het wel, het denken los weken van het ego. Maar ook rest -sentimenten en overtuigingen van neuroses week ik los door handelende aandacht. Ikke, ikke en ikke zeggen ze dan. Dat vraagt heel veel van een kunstenaar die het niet denken als zijn positieve eigenschap ziet waarvan hij het moet hebben. En deze eigenschap als authenticiteit van zijn persoonlijkheid ziet om het geloof in zichzelf te vinden. Het is zijn knuffeldier. Adorno spreekt over herinnering van het vergetene, aan het verdrongene, het beschadigde en verminkte en het kwetsbare en het broze. Ik voel me daarin erkend. Daar voel ik me in thuis. Het klinkt als een etageflat waarin naast vergeten, verdrongen en beschadigde emoties van de kunstenaar ook zijn krassen, niet denken, handelen en alchemie levendig gehouden worden. Zijn werk is het transformeren van innerlijke tegenstellingen. Hij transformeert onbenoembare emoties tot levenslustige gevoelens.

Rob Loos

Mei 2009