Een bevrijdend gevecht.

Rob Loos (Amsterdam, 1947) groeide op in de Spaarndammerbuurt, waar de lyrische architectuur van Michel de Klerk het troostende decor vormde voor een niet erg harmonieus gezinsleven. Hoewel prestaties niet werden beloond, ontdekte hij als jongetje dat zijn beeldende talent wel werd gewaardeerd – het maken van een mooie tekening leverde hem aandacht en zelfs complimenten op. Reden genoeg om van de kunsten te gaan houden. Rond zijn zestiende kwam hij als krullenjongen terecht op de timmerafdeling van het decoratelier van de Nederlandse Opera Stichting. Hij leerde iemand kennen van de schildersafdeling – waar op enorme achterdoeken illusies werden geschapen – die hem aan een schilderleraar hielp. In navolging van diens andere leerling – Jim van der Woude – ging Loos in 1970 naar de Gerrit Rietveld Academie. Leraar Harry op de Laak herkende Loos’ katholieke gevoel voor monumentaliteit en op de Laak stimuleerde hem in 1975 dan ook om door te gaan naar de Rijksacademie, destijds een specialisatie voor monumentale en versierende kunsten. Loos leerde er schilderen volgens de oude methodes en opvattingen, met grote aandacht voor handschrift, verfbehandeling en kleur. Omdat de monumentale kunst nooit naar Amsterdam kwam, reisden de studenten onder andere naar Praag en Wenen en vergaapten zich er aan barokke architectuur en wandschilderingen. In de Italiaanse kunsttheorie wordt van oudsher onderscheid gemaakt tussen tekenkunst, disegno, de kunst van lijn en vorm enerzijds en de kunst van vlek en toon anderzijds, pittura, schilderkunst. Rob Loos is een schilder. Hij is gewapend met een zeer verfijnd kleurgevoel – hij weet de kleinste verschillen betekenisvol te maken, door koele naast warme tinten te zetten, vlekken van verschillende gradaties tot ritmes aaneen te smeden en de mogelijkheden uit te buiten van onderschilderingen in een contrasterende kleur, die de voorstelling een gloed meegeven. Het doet er niet toe dat hij de laatste jaren juist heel erg veel tekent en weinig met verf werkt, ook in zijn tekeningen is de lijn in essentie een langwerpige vlek met een belangrijke mate van zwartheid (toon) of een middel om een textuur te geven. Toonwaardes en ritmes en het (gestuurde) toeval in de vlek hebben de liefde van de schilder. Het belangrijkste doel van Loos’ methode is het vrijmaken van pure spontaniteit uit alle verstorende gedachten en stemmingen. Hij weet hoe zwaar het gevecht kan zijn om de schildershand de vanzelfsprekende levenslust te geven die tot goed werk leidt. Alle verwachtingen en bedoelingen kunnen als stoorzenders werken. Wie bijvoorbeeld uit grote tevredenheid over een eerder gevonden oplossing die probeert te herhalen vervalt in een truukje en belemmert de spontaniteit. Verjaagt leven uit het te maken werk. Dat wil niet zeggen dat zo’n eerdere vondst niet het startpunt kan zijn voor nieuw onderzoek, maar men moet proberen geen verwachtingen te koesteren en ontvankelijk zijn. In die zin lijkt zijn persoonlijke filosofie misschien aan het Boeddhisme ontleend – wat hem allerminst stoort –maar het is de persoonlijke vrucht van jaren ploeteren. Zijn tekeningen roepen af en toe associaties op met Chinese kalligrafie: hoogspanning samengebald in een snel, volkomen gebaar. Ze ontstaan ook razendsnel. Het is niet ongebruikelijk dat hij in twee uur veertig tekeningen maakt. Niet alleen komt het zijn kunst ten goede als Loos zichzelf van bijgedachten weet te bevrijden, zulke kunst komt ook hemzelf ten goede, bevrijdt hem weer van de bijgedachten en verwachtingen en voorschriften. Loos is er niet vies van therapeutische aspecten in het creatieve proces te onderkennen en te gebruiken. Hij geeft ook graag les. Tekeningen van eenzelfde sessie zijn improvisaties op hetzelfde uitgangspunt. Zijn methode lijkt daarmee ook op die van een jazzmuzikant, die telkens nieuwe mogelijkheden exploreert in het zelfde stuk. Charles Mingus is een goed voorbeeld: thematisch hechte muziek waarin spontaniteit het hoogste goed is, muziek waarin gezwoegd en gezweet wordt, maar in dienst van warmbloedige expressie, en niet in dienst van zwaarwichtige concepten. (“Dig deeper into yourself!” riep Mingus ooit midden op het podium tegen een van zijn solisten, toen die even verslapte.) Rob Loos is dol op Mingus, en laat zich soms door hem opzwepen bij het tekenen. Het is een paradox dat de schilder zijn persoonlijke handschrift het best ontwikkelt door zonder opvattingen over wie en wat hij zou moeten zijn (ego-loos) te werk te gaan. Alleen als hij in staat is zichzelf in zijn werk te vergeten, kan hij zichzelf worden. Als hij uit groot enthousiasme besluit om tekeningen te maken van de hypermoderne Ennaeus Heermabrug van Nicholas Grimshaw is het resultaat bijna kinderlijk fris en swingend. Zijn werk is eerder tijdloos dan hip of modieus. Zijn afkeer van bewuste concepten en bedoelingen maakt dat ook onmogelijk: hij kan niet anders dan maken wat hij uit zichzelf bevrijdt. En: hij wil niet anders.

Floris Tilanus.

Amsterdam
September 2003